36e jaargang,
Juli 2010
nr. 170
Nederlandse Trolleybus Vereniging
Start Aanmelden gastenboek Colofon Wagenpark Trolleylinks
wissel

Start
Inhoud nr 170
Wie zijn wij
Il Filobus
Arnhem actueel
All  Electric
Excursies
NTV avonden
NTV Forum

 All Electric Arnhem -

Nijmegen


Deel 3, door Herman Wilmer

Ah Berkhof - 5220 - lijn 5 - Lange Wal - 02042010 - foto KJ

5 Lessen uit Europese landen

Openbaar vervoerbeleid heeft in vrijwel alle Europese landen een regionale dimensie. Laten we EUlanden die met Nederland weinig overeenkomsten qua ruimtelijke, demografische en economische structuur hebben – Bulgarije, Cyprus, Griekenland, Estland, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Roemenië, Slovenië, Slowakije – buiten beschouwing, dan zien we dat in de overige 16 staten een regionale schaal voor het lokaal openbaar vervoer eerder regel dan uitzondering is. Daar zitten grote verschillen tussen. En per land zijn er weer verschillende oplossingen gekozen. De West- Europese landen hebben vervolgens een voorsprong op de voormalige Oostblokstaten: de mobiliteitsproblemen in het westen en de bekostiging van het openbaar vervoer vroegen in West-Europa veel eerder om een passende

aanpak dan in het oosten, waar goedkoop vervoer voor grote aantallen reizigers geboden moest worden. Daarom gaat de aandacht hier uit naar West-Europese landen. De Scandinavische landen laat ik ook buiten beschouwing. In Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden is er per land slechts één sterk verstedelijkte regio die voor vergelijking met Nederland in aanmerking komt en daarmee zijn zonder uitzondering maatafspraken gemaakt. Datzelfde geldt ook voor Griekenland, Ierland en Portugal. Blijven vijf landen over die naast de Nederlandse financieringspraktijk gezet kunnen worden: Duitsland, Frankrijk, Groot - Brittannië, Italië en Spanje. Laten we ze eens bekijken. Duitsland heeft sinds 1966 een wettelijk én een financieel instrumentarium, waarmee decentrale

overheden hun verkeers- en vervoerprojekten kunnen financieren. De wetgeving heeft de vorm van de Gemeindeverkehrsfinanzierungsgesetz, de financiering wordt mogelijk gemaakt door de Mineralöl-steuer. Deze middelen worden door de Bondsregering geďnd en in een apart fonds gestort, dat vervolgens verdeeld wordt onder de 16 Länder. De wet bepaalt dat 50% voor wegverkeersinfrastruktuur bestemd is en de ander 50% voor openbaar vervoerinfrastruktuur. De aanvrage voor een bijdrage wordt getoetst aan een aantal van te voren opgestelde criteria: schaal van het gebied, te verwachten vervoer, aannemelijke bijdrage aan vermindering van bestaande verkeers- en vervoerproblemen, technische realiseerbaarheid van het project en een realistische kostenbenadering. Een commissie, die door de deelstaatregering